Putten in en om stolpen - - EN - - Hoe maak je waterputten?

Putten in en om stolpen

In en rond stolpboerderijen waren in het verleden altijd diverse putten te vinden. Zij voorzagen de bewoners en hun vee eeuwenlang van water, tot de komst van de waterleiding hen overbodig maakte. Vaak zijn de putten onder de grond of een betonvloer verdwenen, maar soms zijn ze nog zichtbaar. Stolpeigenaren koesteren de bewaard gebleven putten vaak, want de gaten in de grond hebben iets spannends.

Hoe zien de putten er onder de grond uit, hoe oud zijn ze en waarvoor werden ze gebruikt? Dit zijn vragen die mij als boerderij-onderzoeker vaak worden gesteld. Tijd dus om nader in te zoomen op dit fenomeen.

Waterputten

De zijkant van een cilindrische waterput uit de 17e eeuw wordt blootgelegd tijdens een archeologische opgraving. De waterput lag in de koeienstal van een stolpboerderij in Venhuizen

Een wagenwiel met spaken, als fundering gebruikt bij de bouw van een waterput

In bijna iedere stolp bevond zich in het verleden een waterput, ook wel een welput genoemd. Een waterput is in feite een gat in de grond, waarvan de wanden zijn versterkt met bakstenen. Houten waterputten bestaan ook, maar komen bij stolpboerderijen niet voor. Waterputten hadden bij stolpen meestal geen bovengrondse opbouw, ze bevonden zich volledig onder de grond. De putten zijn vaak cilindrisch van vorm en hebben een diameter van ongeveer 90 centimeter. Bij stolpboerderijen komen ook flesvormige exemplaren voor, zij lijken met name uit de 19e eeuw te dateren. De flesvormige putten kunnen heel groot zijn, soms heeft de onderkant een diameter van ongeveer 2,5 meter! Deze grote waterputten zijn echt een knap staaltje vakwerk, zeker als we bedenken dat de bakstenen van de wand vaak los zijn gestapeld en dus niet gemetseld met mortel. Waterputten zijn een paar meter diep en hebben geen bodem. Door de bakstenen wand en de bodem kwam grondwater in de put terecht. Dit werd meestal omhooggehaald door middel van een zwengelpomp van gietijzer of hout. Voordat men de bakstenen wand van een waterput opbouwde, werd eerst een houten fundament gemaakt. Dit konden wat planken zijn, maar ook een houten wagenwiel. Vaak zijn de houten spaken van de wielen afgezaagd, maar incidenteel wordt bij een archeologische opgraving een wiel teruggevonden compleet met spaken en as. Het grondwater uit de waterput werd in stolpboerderijen gebruikt als drinkwater voor de koeien gedurende de (winter)maanden dat zij op stal stonden. De put bevindt zich daarom altijd in of bij de koeienstal. De meest gangbare locatie is ongeveer halverwege de koeienstal, op de grens van de stal en hooiberg. Op die gren stond altijd een houten wand en daartegenaan bevond zich de zwengelpomp. De koeien dronken uit een goot die onder hun koppen lag, tegen de buitengevel aan. Om het grondwater uit.de waterput in die drinkgoot te krijgen, werd gebruik gemaakt van een losse houten goot. Deze goot werd een paar keer per dag tussen de koeien door gestoken van de zwengelpomp naar de drinkgoot, waarna de drinkgoot kon worden gevuld met water. Soms bevond de waterput zich buiten de boerderij, aan de kant van de koeienstal. Het grondwater werd dan door een gat in de gevel in de drinkgoot van de stal gebracht.

Regenwaterkelders

Blik in een leeggepompte waterput in een stolpboerderij in Sijbekarspel.

De bovenkant van een regenwaterkelder bij een stolpboerderij in Zwaag.

Een ander type ‘put’ dat bij de meeste stolpboerderijen was te vinden, is de regenwaterkelder of regenbak. Dit zijn rechthoekige kelders met een bodem en tongewelf (halfrond gewelf) die zich onder de grond bevinden. Vaak zijn ze ongeveer 2 bij 1 meter groot en 1,5 meter diep. Ze waren bestemd om regenwater van het dak van de boerderij of een schuur in te bewaren, want dit regenwater werd eeuwenlang gebruikt om te drinken, om mee te koken en om de was te doen. Doordat het regenwater onder de grond werd bewaard, bedierf het niet. Regenwaterkelders zijn altijd gemaakt van hardgebakken bakstenen en trasmortel, waardoor ze waterdicht zijn. Hierdoor kon grondwater niet in de kelder doordringen en het water vervuilen. Het regenwater werd vanaf het dak via een dakgoot en regenpijp naar de  regenwaterkelder geleid. De kelders bevinden zich daarom bijna altijd tegen een gevel aan. Vaak liggen zij buiten de boerderij, maar binnen komt ook veel voor. In de duinstreek hadden stolpboerderijen vaak geen regenwaterkelders, omdat het grondwater hier van zeer goede kwaliteit was. Veel stolpdaken hebben daarom in dit gebied overhangend riet in plaats van een pannenrand met dakgoten: het regenwater hoefde niet te worden opgevangen. Regenwaterkelders hebben boven de grond een vierkante gemetselde opbouw van ongeveer 70 bij 70 en 60 centimeter hoog. Deze opbouw wordt afgedekt met een plaat van natuursteen, met in het midden een rond gat. Door dit gat kon met behulp van een emmer aan een touw water uit de waterkelder worden geput. Bij een stolpboerderij waren vaak meerdere regenwaterkelders tegelijk in gebruik, die water van verschillende gebouwen of dakvlakken opvingen. Het was handig om zoveel mogelijk regenwater te kunnen opslaan, zodat ook in droge periodes voldoende water voorhanden was. Dat dit niet altijd lukte, bewijst een fragment uit het dagboek van veehouder Jan Entius (1875-1956) uit Zuidermeer. Hij schreef bij het jaar 1911: ‘Het regende in de meimaand ook al niet veel, maar van 29 juni tot 30 september regende het helemaal niet. Ook was het buitengewoon heet in juli, het land was als verschroeid en zag zo dood als in de winter. Regenwater was er niet meer te krijgen.’ In dit soort extreem droge periodes zullen stolpbewoners het grondwater uit de waterput in de koeienstal als alternatief hebben gebruikt. Regenwaterkelders worden niet alleen bij stolpboerderijen gevonden, maar bij vrijwel ieder huis dat van vóór 1900 dateert. Ook in de steden vormden dit soort kelders tot in de 20e eeuw de belangrijkste watervoorziening. Uit archeologisch onderzoek blijkt dat de eerste regenwaterkelders al uit het einde van de 16e eeuw dateren. Het is vaak lastig om een regenwaterkelder te dateren, omdat zij eeuwenlang op dezelfde manier zijn gebouwd. Een goede aanwijzing voor de ouderdom van een kelder kan de afmeting zijn: als deze exact 2 bij 1 meter is, betekent dit dat hij is gebouwd ná invoering van de meter als meeteenheid in de periode rond 1800.

Het Wolvenhuis

Bij de verbouw van hun monumentale stolp Het Wolvenhuis uit 1675 in Zandwerven stuitten René en Annette Wester op een regenwaterkelder tegen de achterkant van de boerderij. Het tongewelf was grotendeels ingestort en de kelder zat vol met puin. Al snel ontstond het idee om de regenwaterkelder in oorspronkelijke staat terug te brengen. Door middel van een halfronde houten mal lukte het René om het tongewelf te herstellen en hij metselde tevens de vierkante opbouw boven de grond weer op. Hij gebruikte hiervoor de bakstenen die in de kelder lagen. Tussen het puin in de kelder bleek ook de natuurstenen deksteen in stukken te liggen, zodat die weer op zijn plek kon worden gelegd. Leuk is dat de kelder aan de binnenzijde is bekleed met groene en gele plavuizen, waardoor hij nog beter waterdicht was en ook gemakkelijk kon worden schoongemaakt. Annette en René Wester met kleinzoon Melle bij de gerestaureerde regenwaterkelder van hun stolpboerderij Het Wolvenhuis in Zandwerven.

De regenwaterkelder tijdens de restauratie. Door middel van een houten mal kon het tongewelf opnieuw worden gemetseld. Rechtsonder zijn de groene en gele plavuizen tegen de binnenzijde van de kelderwand zichtbaar.

Hoe maak je een waterput?

Oude foto van de Burenpomp op het Kerkplein in Hippolytushoef. Deze waterput was meer dan drie meter breed en in 1717 aangelegd naar aanleiding van een grote brand in 1715. Een groot deel van Hippolytushoef brandde in dat jaar af door gebrek aan bluswater. De Burenput moest hier voor de toekomst verandering in brengen: bij brand kon men waterpompen uit de put. [Foto: Historische Vereniging Wieringen]

Een bijzonder verhaal komt van Kees Hos, inwoner van Westerland op Wieringen.

Hij vertelt over een waterput in de voormalige kaasfabriek van Westerland, die in 1976 werd aangetroffen bij een verbouwing en maar liefst negen meter diep bleek te zijn. De kaasfabriek is in 1916 gebouwd. De eerste waterleiding werd op Wieringen in 1930 aangelegd en tot dat jaar was de fabriek afhankelijk van grondwater uit de waterput. Kees Hos heeft van timmermanaannemer Meijert Mulder (geboren in 1909) gehoord hoe in diens jeugd waterputten werden gemaakt op Wieringen. Het is een zeldzaam ooggetuigenverslag van het bouwen van waterputten.

Het graven van het gat

Bij het begin van de bouw van een pand werd de plaats van de put bepaald. Daar begonnen twee putmakers een rond gat te graven van anderhalf tot twee meter in doorsnede tot ze zo diep waren dat ze de grond niet meer omhoog konden gooien. Op Wieringen bestaat de bodem uit een laag keileem van enkele meters tot maximaal twintig meter dik. Die keileem is erg stug, plakkerig en bevat veel fijn grind. Het graven was daarom zwaar werk. Boven het gat werd van drie sparren (dunne ronde balken) een driepoot opgezet met bovenin een katrol. Hierover liep een touw met aan het eind een emmer die beneden in het gat werd gevuld en vervolgens werd opgehaald en geleegd. Meestal was men aan het einde van de tweede graafdag bijna door de keileem heen, wat zichtbaar was doordat de bodem vochtig werd. Op de derde dag werd het werk afgemaakt. De timmerman had van zes plankjes boogstukjes gemaakt met de vereiste ronding om op de bodem van het gat een platte houten ring te kunnen maken, als fundering voor de bakstenen putwand. Drie plankjes werden in de rondte plat op de bodem gelegd, waarna men de andere drie plankjes daarop spijkerde, over de naden heen. Omdat de ring groter was dan de bovenkant van het gat moest hij beneden in elkaar worden gespijkerd.

De bakstenen wand

Een waterput in Spanbroek wordt onderzocht. Tegen de buitenzijde van de bakstenen wand zijn aan de onderkant verticale plankjes geplaatst, zoals beschreven wordt in het verhaal van Kees Hos. [Foto: Archeologie West-Friesland]

Daarna gingen de bakstenen voor de putwand naar beneden. Deze bakstenen waren in een speciale vorm gehakt, zodat ze gemakkelijk als cirkel konden worden gelegd. Als de putwand tot een halve meter hoog was gestapeld, werd een tweede houten ring gelegd op de bakstenen. Dan werden achter de gestapelde stenen rondom plankjes van ongeveer een meterlang rechtop  gezet, helemaal in de rondte. Door de tweede houten ring kregen ze voldoende steun en kon men doorgaan met stenen stapelen. Bij de bovenkant van de verticale plankjes werd een derde houten ring gelegd, waarna weer een eind gestapeld werd. Dan stopte de stenenlegger en begon hij weer te graven onderin het gat. Al spoedig kreeg hij water in de put, maar er werd nog even doorgegraven. Ondertussen zakte de stenen putwand door zijn eigen gewicht naar beneden tot in het zand onder de keileem. Nu was het zaak om zo snel mogelijk door te gaan met stapelen om boven water te blijven. De put was onderin ongeveer anderhalve meter breed, naar boven werd hij smaller, tot minder dan een meter. Voor de bouw van een waterput werden duizenden bakstenen gebruikt. Alleen het bovenste deel van de put werd met metselspecie in elkaar gezet, daaronder waren de bakstenen los gestapeld.

Water omhoog halen

De diepte van de waterputten wisselde sterk: sommige putten waren maar drie meter diep, andere veel dieper. Dat was afhankelijk van de dikte van de keileem op een bepaalde plek. Ook de kwaliteit van het grondwater was heel verschillend; sommige waterputten gaven brak (enigszins zout) water. Door het inpolderen van de Wieringermeer in 1930 vielen veel waterputten droog, doordat de tegendruk van het zeewater op de zoetwaterbel onder Wieringen wegviel. De waterputten in of naast de stolpboerderijen waren meestal voorzien van een houten pomp, waarmee het water omhoog gepompt kon worden. Ook verder weg van de boerderijen waren putten te vinden, namelijk midden in het land. meestal voorzien van een houten pomp, waarmee het water omhoog gepompt kon worden. Hier kon drinkwater voor het vee omhoog worden gehaald, wat nodig was doordat in het hoge land van Wieringen geen sloten waren waar het vee uit kon drinken. De waterputten in het land waren op het niveau van het maaiveld afgedicht met een hardstenen plaat met een rond gat daarin. Hier kon een klein emmertje (akertje) doorheen en daarmee werd het water uit de put gehaald. Het gat in de hardstenen plaat werd afgesloten met een houten of ijzeren deksel.

Met dank aan Kees Hos

Opening van een waterput op Wieringen die is afgedekt met een hardstenen plaat met een gat daarin, die kon worden afgedekt met een houten deksel [Foto: Historische Vereniging Wieringen]

Het graven van een waterput op Wieringen ergens midden in het land. Rechts de driepoot met katrol die boven het gat werd opgesteld. [Foto: Historische Vereniging Wieringen]

Regenwaterkelders met wandtegels

Eveneens van Wieringen komt een bericht over een andere bijzondere put, namelijk een regenwaterkelder in een stolpboerderij aan de Oosterklief in Hippolytushoef. Deze kelder werd via goten gevuld met regenwater van het dak, dat onder meer werd gebruikt om te drinken en mee te koken. Regenwaterkelders hebben een vierkante opbouw boven de grond, met daarop vaak een plaat van natuursteen. Bijzonder aan het exemplaar van Oosterklief is dat de buitenkant van de opbouw betegeld is. We zien twee tegeltableaus met paarden, diverse tegels met bloemen en onbeschilderde tegels, zogenaamde ‘witjes’. De wandtegels dateren uit de periode 1750-1800 en zijn gemaakt in Friesland. In museumboerderij Jan Lont in Hippolytushoef is ook een betegelde opbouw van een regenwaterkelder te vinden, nota bene met bijna precies dezelfde tegels. Is dit wellicht een Wieringer traditie?

De betegelde opbouw van een regenwaterkelder in een stolpboerderij aan de Oosterklief in Hippolytushoef. [Foto: Historische Vereniging Wieringen]

De betegelde opbouw van een regenwaterkelder in museumboerderij Jan Lont in Hippolytushoef. [Foto: Museum Jan Lont.]