Houten historie. van de stolp (2014)

De houten historie van de stolp (2014)

De stolp is gebouwd met een houten constructie. Houtbaar en houdbaar. Zelfs na driehonderd jaar blijkt de houdbaarheidsdatum nog lang niet verstreken. Stolpen verdwijnen naar onze mening te veel en te vaak onnodig. Maar de houten vierkants- en kapconstructie houdt het heel lang en verdient in ieder geval bij eventuele sloop zoveel mogelijk een hergebruikt leven.

Dekselse dekbalken

Altijd weer verbazing en ontzag bij een stolpbezoek waarbij je vrijuit de kap kunt inkijken. De indrukwekkende vierkants- en kapconstructie met het dekbalkgebint. Stormvast en in hoge mate efficiënt. Sloop komt nog steeds voor, meestal in gevallen van onvoldoende bescherming. Brand blijft een zeer onwelkome oorzaak van verder verlies

Velen ervaren de Noord-Hollandse stolpboerderij als een indrukwekkende verschijning. Zowel het beeld van een stoere piramide te midden van wuivende windsingels in het platte landschap als de imposante houten constructie. Het woud van staanders, balken, sporen en zwingen dat tezamen de vierkants- en kapconstructie vormt: het dekbalkgebint. Een bouwwijze van boerderijen in de noordelijke kuststreek en bovendien in Engeland, Frankrijk en Vlaanderen. In tegenstelling tot de constructie van boerenhoeven in de rest van Nederland. Op deze pagina’s in vogelvlucht aandacht voor het hart van de stolp, die dekbalk vierkantconstructie. Ontstaan uit het middeleeuwse ‘Friese langhuis’ met zijn losstaande hooiberg ontwikkelde de boerderij in Noord-Holland zich tot een hooihuisboerderij, waarbij de hooiberg als kapberg deel uitmaakte van het langhuis met stal. Vervolgens tot een langhuisstolp met langhuis als woning en de stal met de dars onder de door de hooiberg gevormde stolp.

Het opzetten van een vierkantconstructie met een kaapstander.

Na 1550 kreeg de boerderij alle functies onder één dak en de stolp met vierkant grondplan was geboren. In alle gevallen werd een stormvaste dekbalkconstructie toegepast: met vier (of soms meer) staanders met op de koppen liggende langsbalken die tezamen een gebintvak voor (hooi)opslag vormen (de ‘tas’, ‘berg’, of ‘het vierkant’). De beschikbaarheid van lang balkhout uit vooral de Oostzeelanden speelde daarbij een belangrijk rol. De constructie was gemakkelijk uit te breiden. Met zes gekoppelde staanders ontstaan twee gebintvakken, een ‘dubbel vierkant’. Nog meer staanders en gebintvakken geven de vorm van een grote schuur die vooral voor akkerbouw of gemengd bedrijf geschikt is. Een heel groot exemplaar van zo’n met dekbalken gekoppelde schuur staat in de Anna Paulownapolder; hoeve Zeeland uit 1901. Je zou die overigens al geen stolp meer kunnen noemen omdat de piramidevorm ontbreekt.

Vlaamse schuur, Teteringen, Noord-Brabant.

Invloeden

De dekbalkconstructie bestaat al eeuwenlang en vormde de bouwkundige basis voor tal van hallen, kerken en (klooster)schuren. Vooral in Engeland, waar tot 1550 zo’n 200 van deze (eiken-)houten bouwwerken stonden, en zeker in Frankrijk met wel het dubbele aantal. Verder ook in Vlaanderen, Brabant, Zeeland en de Frieslanden. De rol van kloosters die betrokken waren bij de vele inpolderingen was daarbij van grote betekenis. Trekbalkgebinten (een variatie op het ankerbalkgebint) kwamen ook voor, in oostelijk en zuidelijk Noord-Holland en typisch genoeg ook in de door Noord-Hollandse boeren gebouwde stolpen van Sleeswijk-Holstein: zo’n 80 Haubarge uit de 17e en 18e eeuw, met twee en ook wel meer vierkanten. De houtconstructies van de grote kloosterschuren bij laatmiddeleeuwse abdijen in Vlaanderen zoals die in Lissewege (Ter Doest, ca.1275) kunnen als voorbeeld gezien worden voor de Zeeuwse bergschuren en de zogeheten Vlaamse schuren die deel uitmaken van boerenbedrijven in (Noord-)Brabant, ook wel Limburg en Zuid-Gelderland. Ze staan er nog in veel Brabantse dorpen als bergschuur bij de lage Brabantse varianten van de hallenhuisboerderij maar zijn nu in de meeste gevallen herbestemd tot bijvoorbeeld kantoor, restaurant of museum. Driebeukige schuren met dekbalken in de hoofdconstructie en vaak aan één zijde een ankerbalkaansluiting. De oudste Vlaamse schuur staat in Liempde: het Groot Duijfhuis uit 1525, in Grave een uit 1868. Ook in Zuid-Holland, o.a. in de Alblasserwaard verrezen grote schuren van het volgens boerderij-onderzoeker J.H.Gallée ‘Friesch type’.

De ouderdom van de gebintconstructies is te bepalen door dendrochronolisch onderzoek waarbij jaarringen in het gebruikte hout informatie geven over ouderdom en afkomst; in West-Friesland en op Wieringen zijn daartoe boringen uitgevoerd die een verrassend resultaat hebben opgeleverd.

Dwarsdoorsnede van de schuur van de hoeve ‘Zeeland’, Anna Paulowna (1901).